Vaststelling kenmerken voertuigen

Artikel Afdeling 1. Algemeen

Actuele regelgeving

  1. Artikel 5.1a.1 begrippen afmetingen

    Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.

    Aanvullende permanente eisen
    Artikel 1
    1. Voor de vaststelling van afmetingen van voertuigen of samenstel van voertuigen wordt verstaan onder: 
      1. as: horizontale lijn die loodrecht staat op het middenlangsvlak van het voertuig en gaat door het midden van één of meer wielen wanneer deze zich in de stand van rechtuitrijden bevinden;
      2. lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen: horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten;
      3. breedte van een voertuig: horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die evenwijdig lopen aan het middenlangsvlak van het voertuig en gaan door de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten;
      4. hoogte van een voertuig: verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een horizontaal wegdek in de rijstand.
    2. Onder voorbehoud de in onderstaande tabellen I, II en III opgenomen aanvullende beperkingen, behoeven de in deze tabellen vermelde voorzieningen en uitrusting niet voor de bepaling van de buitenste afmetingen in aanmerking te worden genomen indien aan de volgende voorschriften wordt voldaan:
      1. wanneer aan de voorzijde meerdere voorzieningen zijn gemonteerd, mogen deze in totaal niet meer dan 25 cm uitsteken;
      2. voorzieningen en apparatuur die in de lengterichting aan het voertuig worden toegevoegd, mogen in totaal niet meer dan 75 cm uitsteken;
      3. met uitzondering van achteruitkijkspiegels, mogen voorzieningen en apparatuur die in de breedterichting aan het voertuig worden toegevoegd in totaal niet meer dan 10 cm uitsteken.
    3. De voorschriften van het tweede lid, onderdelen a en b, zijn niet van toepassing op voorzieningen voor indirect zicht.
    4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het vaststellen van de afmetingen, bedoeld in de artikelen 5.12.6, derde, vierde en vijfde lid, en 5.14.6, vijfde lid.

      Tabel I Voertuiglengte

      Personenauto’s  Bussen Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg Aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 750 kg Landbouw- of bosbouwtrekkers
      1. Voorzieningen voor indirect zicht en voor het waarnemen van de ruimte achter het voertuig x x x x x x
      2. Wis- en sproei-voorzieningen x x x x x
      3. Zonnekleppen aan buitenzijde x x
      4. Frontbeschermingsinrichting x x x
      5. Voetsteunen en handgrepen x x x x x
      6. Koppeling x x x x x
      7. Extra koppeling x x
      8. Fietsenrek (verwijderbaar/ opklapbaar x x x
      9.  Hefplatforms, oprijplaten en soortgelijke uitrustingen, voor zover het laadvermogen niet wordt vergroot en deze uitrustingen niet meer dan 0,30 m uitsteken  x x x x x x
       10.Observatie- en detectiemiddelen, met inbegrip van radars   x  x x x
       11.Veerkrachtige buffers en vergelijkbare uitrusting    x x x x
       12.Voorzieningen voor douane-verzegeling en de afscherming ervan   x x x x
       13.Voorzieningen voor de bevestiging van het dekzeil en de afscherming ervan   x x x x
       14.Langsaanslagen voor afneembare carrosserieën   x x x
       15.Trolleystangen en stroomafnemers van elektrisch aangedreven voertuigen  Alleen bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg x x x x
       16.Voor- en achterkentekenplaten   x x x x
       17. Verlichtingsuitrusting xxxxxx
       18. Opvouwbare voorzieningen en uitrusting die zijn ontworpen om de luchtweerstand te verminderen, mits deze niet meer dan 0,50 m voorbij de achterzijde van het voertuig uitsteken en de lengte van de laadruimte niet vergroten.     x xAlleen aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg 
       19. Luchtinlaatpijpen  xxxx
    Tabel II Voertuigbreedte
    Personenauto's Bussen Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg  Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg Aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 750 kg Landbouw- of bosbouwtrekkers
    1. Voorzieningen voor indirect zicht  x x x x x x
    2. De bolling van de zijwanden van de banden op het contactpunt met het wegdek x x x x x x
    3. Verklikkers voor lekke banden Alleen bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg x x x x
    4. Bandenspanningsmeters Alleen bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg x x x x
    5. Verlichtingsuitrusting x x x x x x
    6. Oprijplaten, hef-platforms en soortgelijke uitrusting, indien deze zijn ingeschoven en niet meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, en de hoeken van de naar voren of naar achteren gerichte oprijplaten zijn afgerond met een straal van ten minste 5 mm; de randen moeten afgerond zijn tot een straal van ten minste 2,5 mm  x   x x x
    7. Intrekbare zijdelingse geleidingsvoorzieningen bestemd voor gebruik op geleid bussysteem, indien zij niet zijn ingetrokken intrekbare treden, indien deze zijn uitgeschoven en het voertuig stilstaat  Alleen bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg
    8. Observatie- en detectiemiddelen, met inbegrip van radars x x x x
    9. Voorzieningen en uitrusting die speciaal zijn ontworpen om de luchtweerstand te verminderen, mits deze niet meer dan 5 cm aan beide zijden buiten de grootste breedte van het voertuig uitsteken en het laadvermogen niet vergroten. Dergelijke voorzieningen moeten zo zijn ontworpen dat ze kunnen worden ingetrokken wanneer het voertuig stilstaat, zodat de maximaal toegestane breedte niet wordt overschreden en zij geen nadelige invloed hebben op de bruikbaarheid van het voertuig voor intermodaal vervoer. Wanneer de voorzieningen en uitrusting in gebruik zijn, mag de breedte van het voertuig niet meer dan 2,65 m bedragen. x x x x
    10. Voorzieningen voor douaneverzegeling en de afscherming ervan x x x x
    11. Voorzieningen voor de bevestiging van het dekzeil en de afscherming daarvan. Voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 april 2020 geldt dat deze voorzieningen niet mee worden genomen bij de bepaling van de breedte indien zij niet meer dan 20 mm uitsteken indien zij zich op ten hoogste 2 m van de grond bevinden, en niet meer dan 50 mm uitsteken indien zich zij meer dan 2 m van de grond bevinden. De randen moeten met een straal van ten minste 2,5 mm zijn afgerond. x x x x
    12. Uitstekende flexibele delen van een opspatafschermingssysteem, flexibele spatborden en spatlappen x x x x x
    13. Sneeuwkettingen x x x x x x
    14. Veiligheidshekwerken op voertuigen voor voertuigvervoer. Alleen voor voertuigen die voor het vervoer van ten minste twee andere voertuigen zijn ontworpen en gebouwd en waarbij de veiligheids-hekwerken zich meer dan 2,00 m, maar niet meer dan 3,70 m van de grond bevinden en aan de zijkant niet meer dan 5 cm buiten het buitenste punt van het voertuig uitsteken. De breedte van het voertuig mag, als gevolg van deze veiligheids- hekwerken, niet meer dan 2,65 m bedragen. x Alleen aanhangwagens met een technisch toegestane maximum-massa van meer dan 3.500 kg x
    15. Opklapbare treden en andere uitschuifbare en uitklapbare delen, voor zover uitgeschoven of uitklapbaar x x x x
    Tabel III Voertuighoogte
    Personenauto’s Bussen Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg Bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg Aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 750 kg Landbouw- of bosbouwtrekkers
    1. Antenne voor radio of radionavigatie x x x x x x
    2. Stroomafnemers of trolleystangen in de uitgeschoven stand Alleen bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg x x x x

  2. Artikel 5.1a.2 meetvoorwaarden wielbasis en afmetingen

    1. De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
    2. De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
  3. Artikel 5.1a.3 bepalen aantal wielen

    1. Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.
    2. In afwijking van het eerste lid worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
  4. Artikel 5.1a.4 bepalen aantal lichten

    Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:

    1. dezelfde functie vervullen;
    2. licht van dezelfde kleur uitstralen, en
    3. een verlichtingsinrichting vormen waarvan:
      1. de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven, of
      2. de onderlinge afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten niet meer dan 75 mm bedraagt.

    Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien het voertuig is uitgerust met van fabriekswege aangebrachte lichten.

  5. Artikel 5.1a.5 meetvoorwaarden t.a.v. verlichting

    Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.