Verplichte lichten en retroreflectoren

Artikel 5.8.51

Actuele regelgeving

  1. 1.

    Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van:

    1. twee dimlichten

    b. twee stadslichten;

    c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig,

    d. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 2017 in gebruik is genomen;

    e. twee achterlichten;

    f. twee remlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2000;

    g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;

    h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017;

    i. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017;

    j. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in Aanvullende permanente eisen, artikel 132 en 133 gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2.55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017

    k. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat;

    l. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 4,60 m en in gebruik genomen na 31 december 2021;  


    Wijze van keuren

    Onderdelen a tot en met g: visuele controle.
    Onderdeel h: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
    Onderdeel i:  visuele controle.
    Onderdeel j:  visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
    Onderdeel k: visuele controle
    Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.

    Aanvullende permanente eisen
    Artikel 123

    Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.

    Figuur 32. Goedkeuringsmerk

    Artikel 132
    1. De breedtemarkering moet bestaan uit:
    1. een vierkant bord van ten minste 0,42 m bij 0,42 m of een rechthoekig bord van ten minste 0,28 m bij 0,56 m of 0,14 m bij 0,80 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m, en
    2. ten minste één wit respectievelijk rood licht, indien het voertuig, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat onderscheidenlijk die niet breder is dan 3,00 m, zich verplaatst bij nacht.

    2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, mag de breedtemarkering van een motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk bestaan uit een vierkant bord of signalisatiefolie van ten minste 0,28 m bij 0,28 m of tweemaal ten minste drie vlakken van 0,14 m bij 0,14 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m.

    Artikel 133
    1. Het bord of de signalisatiefolie, bedoeld in artikel 132, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, wordt aangebracht in een verticaal vlak loodrecht op de lengte-as van het voertuig, waarbij de afstand van het wegdek tot de onderzijde van het bord niet minder dan 0,25 m, en tot de bovenzijde niet meer dan 1,90 m bedraagt. Indien dit in verband met de constructie niet mogelijk is, mag de afstand tot de bovenzijde van het bord meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m bedragen, zoals weergegeven in figuur 38.
    2. Het bord wordt aan de voor- en achterzijde van het voertuig, de in de breedte uitstekende lading of het verwisselbaar uitrustingsstuk aangebracht, zodanig dat zoveel mogelijk de grootste breedte wordt aangegeven, zonder dat het bord de breedte vergroot.
    3. Het witte en het rode licht, bedoeld in artikel 132, eerste lid, onderdeel b, worden zodanig aan de voor- onderscheidenlijk achterzijde van het voertuig aangebracht, dat zij zoveel mogelijk de grootste breedte aangeven, waarbij de afstand tot de lichten gemeten vanaf het breedste punt van de lading of het verwisselbaar uitrustingsstuk naar binnen toe niet meer dan 0,10 m bedraagt.
    4. Het witte en het rode licht moeten duidelijk zichtbaar zijn voor het tegemoetkomende respectievelijk achteropkomende verkeer.
    5. Het eerste lid is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.

    Figuur 38. Bord ter markering van in breedte uitstekende lading.

    Toelichting

    Lijnmarkering

    Lijnmarkering is een horizontale, doorlopende lijn in de lengte of breedte. De onderbreking van de doorlopende lijn mag niet meer dan 1 meter zijn. Er staat niet precies omschreven waar de lijnmarkering begint of eindigt. De lijnmarkering moet zoveel mogelijk de horizontale dimensie (lengte en breedte) van het voertuig weergeven.  

    Plaatsing markeringslicht

    De plaats van het markeringslicht(en) in de lengterichting van het voertuig, wordt niet voorgeschreven.

  2. 2.

    Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden moet deze zijn voorzien van twee extra stadslichten of twee staaklichten, en een breedtemarkering die voldoet aan de in de Aanvullende permanente eisen, artikelen 132 en 133, gestelde eisen.
    Wijze van keuren
    Visuele controle.
    Aanvullende permanente eisen
    Artikel 132
    1. De breedtemarkering moet bestaan uit:
    1. een vierkant bord van ten minste 0,42 m bij 0,42 m of een rechthoekig bord van ten minste 0,28 m bij 0,56 m of 0,14 m bij 0,80 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m, en
    2. ten minste één wit respectievelijk rood licht, indien het voertuig, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat onderscheidenlijk die niet breder is dan 3,00 m, zich verplaatst bij nacht.

    2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, mag de breedtemarkering van een motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk bestaan uit een vierkant bord of signalisatiefolie van ten minste 0,28 m bij 0,28 m of tweemaal ten minste drie vlakken van 0,14 m bij 0,14 m, voorzien van parallel lopende diagonale strepen die afwisselend wit en fluorescerend of retroreflecterend rood zijn, en een breedte hebben van niet minder dan 0,07 m en niet meer dan 0,10 m.

    Artikel 133
    1. Het bord of de signalisatiefolie, bedoeld in artikel 132, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, wordt aangebracht in een verticaal vlak loodrecht op de lengte-as van het voertuig, waarbij de afstand van het wegdek tot de onderzijde van het bord niet minder dan 0,25 m, en tot de bovenzijde niet meer dan 1,90 m bedraagt. Indien dit in verband met de constructie niet mogelijk is, mag de afstand tot de bovenzijde van het bord meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m bedragen, zoals weergegeven in figuur 38.
    2. Het bord wordt aan de voor- en achterzijde van het voertuig, de in de breedte uitstekende lading of het verwisselbaar uitrustingsstuk aangebracht, zodanig dat zoveel mogelijk de grootste breedte wordt aangegeven, zonder dat het bord de breedte vergroot.
    3. Het witte en het rode licht, bedoeld in artikel 132, eerste lid, onderdeel b, worden zodanig aan de voor- onderscheidenlijk achterzijde van het voertuig aangebracht, dat zij zoveel mogelijk de grootste breedte aangeven, waarbij de afstand tot de lichten gemeten vanaf het breedste punt van de lading of het verwisselbaar uitrustingsstuk naar binnen toe niet meer dan 0,10 m bedraagt.
    4. Het witte en het rode licht moeten duidelijk zichtbaar zijn voor het tegemoetkomende respectievelijk achteropkomende verkeer.
    5. Het eerste lid is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.

    Figuur 38. Bord ter markering van in breedte uitstekende lading.